Roland Topor
1938 - 1997
Geboren in Paris (FR), overleden in Paris (FR).
De Pools-Joodse schrijver, filmmaker en schandaalkunstenaar Roland Topor groeit tijdens de Tweede Wereldoorlog op in Parijs nadat zijn ouders uit Warschau zijn weggevlucht. Onder het Vichy-regime wordt zijn vader in Frankrijk gearresteerd en naar een deportatiekamp gebracht dat hem naar Auschwitz zou leiden, maar hij weet te ontsnappen en leeft maandenlang ondergedoken ten zuiden van Parijs. Uit angst om verraden te worden vlucht zijn moeder met de 4-jarige Roland en zijn zus naar de Savoye, waar ze ondergedoken leven tot na de oorlog. Roland Topor staat onder een valse naam ingeschreven als een katholieke schooljongen. In 1955 vervoegt hij als adolescent de Ecole des Beaux Arts in Parijs en start hij gestaag zijn artistieke carrière als schrijver en illustrator. In het na-oorlogse Parijs verwerft hij faam met zijn surrealistische cartoons en pentekeningen, zijn tegendraadse humor, zijn grimmige verwerking van de werkelijkheid en zijn overvloedig drankgebruik.
Aanvankelijk maakt Topor ‘aanvaardbare’ illustraties voor Elle en het satirische tijdschrift Hara-Kiri. Hij is ook mede-oprichter van de artistieke beweging (of anti-beweging) Groupe Panique, maar de fictie die hij gaandeweg voortbrengt als ‘duivelskunstenaar’ wordt omschreven als een vorm van post-surrealistische ‘horror’ die de maatschappelijke grenzen mateloos overschrijdt. Hij beeldt een carnavaleske wereld uit vol bizarre situaties waarin de verborgen menselijke realiteit wordt blootgelegd aan de hand van (om de woorden van Topor te gebruiken): “le sang, la merde et le sexe" (bloed, stront en seks). Tussendoor schrijft hij ook muziek waarin hij dromen verklaart met een surrealistische inslag. “Als je droomt van een varken wil dat waarschijnlijk zeggen dat je de volgende dag charcuterie gaat eten”.
Even ophefmakend als zijn scabreuze fallus-tekeningen of uitdagende boektitels (Het mooiste stel tieten ter wereld) zijn de macabere kortverhalen die hij de wereld instuurt. Met De klas in de afgrond voert hij een in een ravijn gestorte schoolbus op. De onderwijzer weigert zich te laten ontmoedigen door de vele doden en verminkten onder zijn pupillen, en neemt de gelegenheid te baat om een klasgesprek te beginnen. “Kijk eens naar mijn vingers. Ik heb er vijf: dit is de wijsvinger, dit de middelvinger, de ringvinger, de pink en dat is de duim. Wie heeft er maar vier? Een kleine jongen met een bloederig gezicht heft zijn rechterhand op met behulp van de linker, want de eerste is afgesneden. ‘Ik,’ zegt hij.”
In 1964 publiceert hij zijn roman Le Locataire chimérique, die in 1976 wordt verfilmd door Roman Polanski. De huurder in kwestie is een beleefde jongeman die aan niets een grotere hekel heeft dan aan moeilijkheden. Hij doet wanhopig zijn best om niemand voor het hoofd te stoten, maar Topor laat zijn hoofdpersonage gestaag afdalen in een onontkoombare hel van paniek en achtervolgingswaanzin, terwijl de auteur met voelbaar genoegen met zijn paniek meelacht. Ook als regisseur voor film en theater produceert hij absurde verhalen die bol staan van macabere ironie, scatologie en wreedheid. Wanneer zijn krankzinnige toneelstuk Joko fête son anniversaire in 1972 in Brussel wordt opgevoerd, schrijft een criticus onomwonden dat “in sommige landen de auteur zou worden neergeschoten”.
HW